Verkeersoverlast vanwege een inrichting: milieurelevant?

Gepubliceerd op 03 maart 2016

Verkeersoverlast vanwege een inrichting: milieurelevant?

In beroepsprocedures wordt regelmatig verkeershinder vanwege een inrichting aangehaald. Het betreft veelal transportbewegingen van en naar de inrichting, dat tot verkeersonveilige situaties op de openbare weg kan leiden. Zijn verkeershinder en verkeersveiligheid aspecten die in het belang van de bescherming van het milieu moeten worden betrokken bij vergunningverlening voor een inrichting?

Artikel 2.14, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht bepaalt dat de omgevings-vergunning voor een inrichting slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd.

Bescherming van het milieu

Blijkens artikel 1.1, tweede lid, onder c, van de Wet milieubeheer wordt onder bescherming van het milieu mede verstaan de nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van personen of goederen van en naar de inrichting. Onder gevolgen voor het milieu wordt mede verstaan gevolgen die verband houden met het verkeer van personen of goederen van en naar de inrichting.

Jurisprudentie op dit punt leert dat het belang van het voorkomen van verkeershinder en verkeersveiligheid bescherming vindt in andere regelgeving dan de Wet milieubeheer, te weten de Wegenverkeerswet. Voor wat betreft dit belang is er geen plaats voor een aanvullende toets bij vergunningverlening voor een inrichting als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Geluidhinder vanwege het verkeer van en naar een inrichting valt wel onder de bescherming van het milieu als bedoeld in artikel 2.14, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Dit wordt indirecte hinder genoemd. De normering van deze hinder is geregeld in de circulaire inzake “geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wm” van 29 februari 1996. Op grond van deze circulaire geldt dat moet worden voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A). Als voorwaarde bij de beoordeling van indirecte hinder geldt dat het verkeer van en naar een inrichting dat hierbij wordt betrokken, zich in voldoende mate onderscheidt van het overige verkeer.

Over de schrijver

Bert Lowijs

Bert Lowijs

Bert Lowijs adviseert agrarisch ondernemers bij het verkrijgen van toestemming van overheden. Naast zijn functie als adviseur is hij ook actief als docent agrarisch omgevingsrecht. In zijn artikelen bindt hij op scherpzinnige wijze de strijd aan met het woud aan regels dat van toepassing is op zijn vakgebied.

  • Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

Volg ons

Like ons


Copyright © 2018 Gerard Leeman en Bert Lowijs
Website powered by: