Overschrijding grenswaarden fijnstof veehouderijbedrijven

Gepubliceerd op 06 januari 2018

Overschrijding grenswaarden fijnstof veehouderijbedrijven

Elk jaar in december publiceert het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat de lijst met veehouderijbedrijven die een overschrijding veroorzaken van de grenswaarden voor fijnstof (PM10). Welke bedrijven zijn dit en wat betekent dit voor de betrokken bedrijven?

Grenswaarden

In bijlage 2. bij de Wet milieubeheer zijn grenswaarden opgenomen voor zwevende deeltjes, zijnde fijnstof, afgekort als PM10 (Particulate Matter, fijnstof kleiner dan 10 microgram). Deze grenswaarden zijn voor de bescherming van de gezondheid van de mens als volgt:

a. 40 microgram per m3 lucht als jaargemiddelde concentratie, en

b. 50 microgram per m3 lucht als vierentwintig-uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal vijfendertig maal per kalenderjaar mag worden overschreden.

Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL)

Het NSL is in 2009 vastgesteld met als doel de luchtkwaliteit in Nederland te verbeteren. Één van de opgaven in het NSL is het beëindigen van overschrijdingen door de intensieve veehouderij van de grenswaarden voor PM10. Gegevens uit vergunningen voor veehouderijbedrijven is hierbij van belang (monitoring).

Vergunningplicht

Lang niet alle veehouderijbedrijven hebben (meer) een omgevingsvergunning nodig. Sinds 1 januari 2013 valt een groot deel van deze bedrijven onder de (rechtstreekse) werkingssfeer van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Bedrijven die nog wel een vergunning nodig hebben, zijn op grond van artikel 2.1, tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht aangewezen. Dit zijn in ieder geval pluimvee- en varkenshouderijbedrijven met meer dan 40.000 plaatsen voor pluimvee, 2.000 plaatsen voor vleesvarkens of 750 plaatsen voor zeugen (bedrijven waartoe een IPPC-installatie behoort). Verder zijn als vergunningplichtig aangewezen bedrijven met meer dan 1.200 vleesrunderen, 2.000 schapen of geiten, 3.750 gespeende biggen, 200 stuks melkrundvee, 340 stuks vrouwelijk jongvee, 100 paarden en 50 landbouwhuisdieren, behorend tot een andere diercategorie dan genoemd en anders dan pluimvee, vleesvarkens of zeugen. Dit geldt ook voor bedrijven voor het houden van pelsdieren. Veehouderijbedrijven onder genoemde aantallen zijn dus niet vergunningplichtig, tenzij op basis van een beoordeling van de luchtkwaliteit is gebleken dat ze een overschrijding veroorzaken van één of meer van de grenswaarden voor PM10. Deze bedrijven komen voor op de jaarlijks door de minister van Infrastructuur en Waterstaat vastgestelde en bekendgemaakte lijst.

Aantal veehouderijbedrijven met een overschrijding

Veehouderijbedrijven op de lijst van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat zijn dus niet vergunningplichtig vanwege de aantallen dieren die ze houden, maar vanwege een overschrijding van één of meer van de grenswaarden voor PM10. Op de lijst van december 2017 staan 33 bedrijven. Dit wekt wellicht de indruk dat in heel Nederland 33 bedrijven een overschrijding veroorzaken van één of meer van de grenswaarden voor PM10. Dit is echter niet zo. Er zijn ook veehouderijbedrijven die vanwege de aantallen dieren die ze houden vergunningplichtig zijn én een overschrijding veroorzaken van één of meer van de grenswaarden voor PM10. Hoeveel bedrijven dit exact zijn, is bij mij niet bekend. Wel staat in de Monitoringsrapportage NSL 2017 (RIVM Rapport 2017-0156) te lezen dat er 636 prioritaire veehouderijbedrijven zijn. Dit zijn bedrijven die een mogelijk risico vormen voor het overschrijden van de grenswaarden voor PM10.

Gevolgen

Veehouderijbedrijven die vergunningplichtig zijn vanwege een overschrijding van één of meer van de grenswaarden voor PM10, maar niet vanwege de aantallen dieren die ze houden, moeten zich houden aan de vergunningvoorschriften en aan de voorschriften op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Op grond van dit besluit zijn deze bedrijven zogeheten inrichtingen type C.

Op het moment dat door het treffen van maatregelen de overschrijding ongedaan is gemaakt, vervalt de vergunningplicht en wordt het betreffende bedrijf een inrichting type B. Deze maatregelen kunnen betrekking hebben op bedrijfsniveau (bijvoorbeeld het toepassen van een warmtewisselaar met stoffilter), maar ook landelijke maatregelen (bijvoorbeeld een aanscherping van de emissie-eisen voor PM10) met als gevolg een dalende achtergrondconcentratie.

Waarom aanwijzing als vergunnningplichtig?

Het uitgangspunt is dat veehouderijbedrijven die vanwege het aantal dieren die ze houden niet vergunningplichtig zijn, niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht van PM 10. In het kader van het NSL is voor deze categorie bedrijven vastgesteld of ze daadwerkelijk een overschrijding veroorzaken van één van de grenswaarden voor PM10 of van beide. Aan de hand van de jaarlijkse monitoring van het NSL wordt bekeken of een bestaande overschrijdingssituatie ongedaan is gemaakt of een nieuw overschrijdingsituatie is ontstaan. De aanwijzing van deze bedrijven als vergunningplichtig is dus een maatregel die voortvloeit uit het NSL met als doel het niet langer overschrijden van de grenswaarden voor PM10 door veehouderijbedrijven. Met gegevens uit vergunningen kan door middel van monitoring worden vastgesteld of dit het geval is. Om die reden zijn veehouderijbedrijven die niet vergunningplichtig vanwege de aantallen dieren die ze houden, maar vanwege een overschrijding van één of meer van de grenswaarden voor PM10, vergunningplichtig.

Over de schrijver

Bert Lowijs

Bert Lowijs

Bert Lowijs adviseert agrarisch ondernemers bij het verkrijgen van toestemming van overheden. Naast zijn functie als adviseur is hij ook actief als docent agrarisch omgevingsrecht. In zijn artikelen bindt hij op scherpzinnige wijze de strijd aan met het woud aan regels dat van toepassing is op zijn vakgebied.

  • Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

Volg ons

Like ons


Copyright © 2018 Gerard Leeman en Bert Lowijs
Website powered by: