Jurisprudentie één inrichting en grond als afvalstof

Gepubliceerd op 25 mei 2016

Jurisprudentie één inrichting en grond als afvalstof

In de uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag van 21 april 2016 (ECLI:NL:RBDHA:2016:4391) gaat het over het beroep dat is aangetekend tegen een last onder dwangsom (en de invordering) van de gemeente Westland. Aan de orde zijn de begrippen inrichting en afvalstof.

Beide besluiten worden vernietigd op grond van het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Beide beginselen van behoorlijk bestuur zijn vaak aanleiding tot vernietiging van een beschikking.

Het is een boeiende uitspraak waarin onder andere weer tot uitdrukking komt dat de vergunningplicht voor een bepaalde activiteit niet vervalt als die activiteit door een ondernemer wordt gestaakt. Het enkele feit dat een inrichting zodanig wordt veranderd dat daarop krachtens artikel 8.40 van de Wet milieubeheer gestelde regels van toepassing worden leidt niet tot het vervallen van de vergunning. Dit wordt niet anders wanneer van dit feit melding wordt gedaan aan het bevoegde gezag. Zo lang de vergunning niet wordt ingetrokken, bestaat het recht om wederom de vergunde (en onverminderd vergunningplichtige) activiteiten te gaan uitvoeren!

Maar in deze column wil ik het hebben over twee belangrijke andere aspecten, te weten het begrip inrichting en wat daartoe behoort en het begrip afvalstof, met name wanneer grond gezien moet worden als een afvalstof en wanneer de inrichting door het opslaan van grond vergunningplichtig wordt.

Inrichting

Ten eerste het begrip inrichting in deze casus. De rechtbank stelt vast dat beide inrichtingen als twee inrichtingen moeten worden beschouwd met de volgende onderbouwing: In deze uitspraak wordt niet voldaan aan het criterium ‘in elkaars onmiddellijke nabijheid’. De rechtbank stelt vast dat de afstand tussen beide locaties hemelsbreed ongeveer 400 meter en over de openbare weg ongeveer 1.200 meter beloopt en dat de locaties worden gescheiden door openbaar vaarwater, openbare wegen en diverse percelen en bebouwing. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat de locaties in elkaars nabijheid zijn gelegen.

Naast de criteria van technische, organisatorische of functionele bindingen geeft deze uitspraak weer eens aan dat in elkaars onmiddellijke nabijheid een belangrijk onderdeel uitmaakt van het begrip één inrichting.

Afvalstof

Ten tweede wordt in de uitspraak gekeken naar het begrip afvalstof. Wanneer is grond een afvalstof en wanneer wordt een inrichting door het opslaan van grond vergunningplichtig? Belangrijk, gezien het feit dat er op het opslaan van grond een andere categorie uit bijlage I, onderdeel C, van het Bor van toepassing is als wanneer bij het opslaan van grond de grond als afvalstof moet worden beschouwd. Als het opslag van grond betreft is categorie 11.1 aanhef en onder i van toepassing en is de activiteit niet vergunningplichtig.

De grond die op de locatie in de uitspraak wordt opgeslagen is afkomstig van buiten de inrichting en van onbekende locaties! Deze grond wordt opgeslagen in afwachting van hergebruik. Hierdoor is het volgens de rechtbank een afvalstof. Bijlage I, onderdeel C van het Bor geeft aan in categorie 28.10, onder 27 dat de opslag van grond, waarvan de kwaliteit bekend is en voldoet aan het Besluit bodemkwaliteit tot een hoeveelheid van 10.000 m3 vergunningvrij is. Echter, in deze uitspraak is de kwaliteit van een hoeveelheid opgeslagen grond niet bekend en daardoor is deze activiteit zonder omgevingsvergunning niet toegestaan.

Door het vernietigen van de uitspraak en omdat de rechtbank geen ruimte ziet zelf in de zaak te voorzien wordt verweerder opgedragen opnieuw te beslissen met inachtneming van deze uitspraak.

De vraag is of nu door deze uitspraak vastgesteld is dat hier een activiteit plaatsvindt, die vergunningplichtig is en waarvoor vergunning had moeten worden verleend, dat, met in het achterhoofd de matrix van de Landelijke handhavingsstrategie, proces-verbaal mag en/of moet worden opgemaakt tegen de verdachte(n). Immers er is hier een project uitgevoerd zonder omgevingsvergunning dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het veranderen of veranderen van de werking van een inrichting.

Over de schrijver

Gerard Leeman

Gerard Leeman

Gerard Leeman is zelfstandig ondernemer, verzorgt opleidingen op het gebied van omgevingsrecht en ondersteunt bedrijven bij het aanvragen van vergunningen. Hij schrijft regelmatig scherpe columns voor branchewebsites en een krant waarbij hij met de nodige dosis humor zijn mening geeft over uiteenlopende zaken.

  • Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

Volg ons

Like ons


Copyright © 2018 Gerard Leeman en Bert Lowijs
Website powered by: