Het melden van een verandering van een inrichting type C

Gepubliceerd op 08 augustus 2019

Het melden van een verandering van een inrichting type C

De praktijk laat zien dat er onduidelijkheid is omtrent de reikwijdte van artikel 2.4, tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht. Dit artikel biedt de mogelijkheid om het veranderen van een inrichting te melden, mits aan een aantal gestelde voorwaarden wordt voldaan. Aan de hand van een praktijkvoorbeeld wordt deze mogelijkheid besproken.

Vergunde situatie

In 2011 is een omgevingsvergunning milieu verleend voor een veehouderij, zijn een inrichting type C (met een IPPC-installatie). Onderdeel van de veehouderij is de opslag van agrarische bedrijfsstoffen. Het betreft een zogeheten kuilplaat ten behoeve van de opslag van voer (maïs). Ter voorkoming van nadelige gevolgen voor het milieu zijn aan deze opslag voorschriften gesteld (voorkomen van geuroverlast en bodemverontreiniging). Daarnaast is ter voldoening aan de toegestane geluidniveaus een maximum aan het aantal keren inkuilen van maïs (in combinatie met het aan- en afvoeren van dieren) gesteld: maximaal 12 keer per jaar.

Met de wijziging van het Activiteitenbesluit milieubeheer op 1 januari 2013 (Stb. 2012, nr. 441) zijn de vergunningvoorschriften voor de opslag van maïs komen te vervallen. Dit geldt echter niet voor het vergunningvoorschrift dat ziet op het maximaal aantal keren inkuilen van maïs.

Gemelde situatie

In juni van dit jaar is een melding ingevolge het Activiteitenbesluit milieubeheer ingediend voor het veranderen van de veehouderij. De verandering betreft het aanleggen van nieuwe sleufsilo’s voor de opslag van agrarische bedrijfsstoffen (kuilvoer en bijvoedermiddelen).

Kan deze verandering worden gemeld?

Artikel 2.4, tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht luidt (voor zover van belang): “In afwijking van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, onder 2°, van de Wabo is geen omgevingsvergunning vereist met betrekking tot veranderingen van de inrichting of van de werking daarvan voor zover die veranderingen betrekking hebben op een activiteit die geen deel uitmaakt van een IPPC-installatie en op die activiteit hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit milieubeheer van toepassing is, tenzij het betreft veranderingen waarop paragraaf 3.5.8 van dat besluit van toepassing is”.

Uit vorenstaande volgt dat de opslag van agrarische bedrijfsstoffen kan worden gemeld, aangezien op deze activiteit hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit milieubeheer van toepassing is (afdeling 3.4, paragraaf 3.4.5).

Oordeel bevoegd gezag

Het bevoegd gezag heeft naar aanleiding van de ingediende melding geoordeeld dat de verandering niet kan worden gemeld, maar dat een omgevingsvergunning moet worden aangevraagd. De redenatie die hiervoor wordt aangehaald is als volgt: ‘De geluidsvoorschriften van hoofdstuk 2 van het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn niet van toepassing op een inrichting type C. De geluidsvoorschriften voor een inrichting type C staan in de omgevingsvergunning. Heeft de verandering van de veehouderij gevolgen voor de geluidsbelasting? Dan kan er strijd ontstaan met de geluidsvoorschriften van de omgevingsvergunning. Dan is een melding niet genoeg en zal de omgevingsvergunning moeten worden aangepast. Hiervoor moet een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, onder 2°, van de Wabo worden aangevraagd’.

Onjuist oordeel?

Het oordeel van het bevoegd gezag is niet in lijn met artikel 2.4, tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht. Dit volgt uit de memorie van toelichting op dit artikel. Hierin is het volgende te lezen:

Artikel 2.4, tweede lid, beoogt te regelen dat voor een verandering van een inrichting type C geen omgevingsvergunning milieu nodig is, als de verandering betrekking heeft op een activiteit die in hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit is geregeld. In dat geval staan de voorschriften voor de activiteit namelijk in het Activiteitenbesluit zodat een omgevingsvergunning milieu niet nodig is. Voor deze verandering kan in dat geval worden volstaan met een melding of in bepaalde gevallen een melding in combinatie met een OBM. Het is wel van belang dat de verandering niet in strijd is met de voorschriften die in de vergunning staan. Mocht die situatie zich voordoen dan zal de inrichtinghouder wijziging van het betreffende voorschrift moeten aanvragen. Het van toepassing zijn van hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit volgt uit het van toepassing zijn van een of meer reikwijdtebepalingen zoals die aan het begin van iedere paragraaf van dat hoofdstuk zijn opgenomen’ (Stb. 2014, nr. 20).

De te bewandelen weg

Dat de hiervoor aangegeven verandering van de veehouderij kan worden gemeld, lijdt geen twijfel. De melding kan voor het bevoegd gezag aanleiding zijn om akoestisch onderzoek te verlangen. De bevoegdheid hiertoe is opgenomen in artikel 1.11, 11e lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Dit onderzoek moet antwoord geven op de vraag of de gemelde verandering passend is binnen de geluidsvoorschriften van de omgevingsvergunning. Zo niet, dan moet vergunninghouder vragen om aanpassing van deze voorschriften. Vervolgens kan het bevoegd gezag met toepassing van artikel 2.31, 2e lid, onder b, van de Wabo de vergunningvoorschriften wijzigen.

Over de schrijver

Bert Lowijs

Bert Lowijs

Bert Lowijs adviseert agrarisch ondernemers bij het verkrijgen van toestemming van overheden. Naast zijn functie als adviseur is hij ook actief als docent agrarisch omgevingsrecht. In zijn artikelen bindt hij op scherpzinnige wijze de strijd aan met het woud aan regels dat van toepassing is op zijn vakgebied.

  • Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

Volg ons

Like ons


Copyright © 2020 Gerard Leeman en Bert Lowijs
Website powered by: