Het intrekken van een omgevingsvergunning

Gepubliceerd op 28 juni 2016

Het intrekken van een omgevingsvergunning

Een agrariër belt verontrust over de brief van de gemeente waarin het voornemen om de in 2012 verleende omgevingsvergunning in te trekken wordt meegedeeld. “Zal toch niet zo’n voort lopen Bert?”, vraagt hij.

Artikel 2.33, tweede lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) bepaalt dat het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen kan intrekken, indien gedurende 26 weken geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning.

In 2012 is aan de agrariër een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van twee stallen en het veranderen van een inrichting. Gelet op voornoemd artikel is de gemeente bevoegd tot intrekking over te gaan, omdat de termijn van 26 weken is verstreken.

In de brief waarin het voornemen kenbaar is gemaakt, wordt de mogelijkheid geboden om aan te geven of en zo ja wanneer de agrariër denkt van de vergunning nog gebruik te gaan maken.

Hoewel in de brief dit niet is aangegeven, blijkt dat de gemeente beleidsregels heeft vastgesteld hoe met niet gebruikte omgevingsvergunningen wordt omgegaan. Als twee jaar na het onherroepelijk worden van de vergunning hiervan geen gebruik is gemaakt, wordt de procedure tot intrekking gestart.

In een reactie geeft de agrariër de gemeente te kennen dat het bouwen door de economische crisis is uitgesteld, maar dat inmiddels wel gesprekken met aannemers, de boekhouder en banken worden gevoerd.

Ondanks de reactie van de agrariër besluit de gemeente tot intrekking over te gaan, omdat niet iaannemelijk is gemaakt dat op korte termijn van de vergunning gebruikt zal worden gemaakt.

Jurisprudentie leert dat de enkele omstandigheid dat de houder van een omgevingsvergunning niet aannemelijk weet te maken dat hij deze alsnog binnen korte termijn zal gebruiken, voldoende om de intrekking van een ongebruikte omgevingsvergunning te rechtvaardigen.

Binnen de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift vindt op het gemeentehuis een gesprek plaats. Allereerst voer ik aan dat de verkeerde procedure is gevolgd. Ten tweede wijs ik op de impact van de intrekking voor de agrariër.

De betreffende omgevingsvergunning is via een uitgebreide procedure tot stand gekomen. Dit houdt in, gelet op artikelen 3.15, tweede en derde lid, van de Wabo, dat de intrekking van deze vergunning ook met een uitgebreide procedure plaatsvindt. Dit is niet gebeurd, hetgeen door de gemeente wordt erkend.

De agrariër maakt duidelijk dat hij sinds de brief met het voornemen om de vergunning in te trekken, niet stil heeft gezeten. Hij toont inmiddels getekende overeenkomsten met een aannemer en een installateur en zegt afspraken met banken te hebben. De gemeente reageert hierop door te stellen dat zij wel wat kort door de bocht zijn gegaan met de informatie die de agrariër in zijn reactie op het voornemen kenbaar heeft gemaakt.

Al met al besluit de gemeente om het intrekkingsbesluit weer in te trekken en gunt de agrariër een termijn tot 1 april 2017 om aan tonen dat op dat moment met gebruikmaking van de vergunning een aanvang met de bouw is gemaakt.

Bij het niet tijdig gebruiken van een verleeende omgevingsvergunning kan het bevoegd gezag deze intrekken. Deze bevoegdheid volgt uit de Wabo. Jurisprudentie maakt duidelijk dat bij een voorgenomen intrekking het aan de houder van de vergunning is om aan te tonen dat hij op korte termijn alsnog van de vergunning gebruik gaat maken.

Over de schrijver

Bert Lowijs

Bert Lowijs

Bert Lowijs adviseert agrarisch ondernemers bij het verkrijgen van toestemming van overheden. Naast zijn functie als adviseur is hij ook actief als docent agrarisch omgevingsrecht. In zijn artikelen bindt hij op scherpzinnige wijze de strijd aan met het woud aan regels dat van toepassing is op zijn vakgebied.

  • Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

Volg ons

Like ons


Copyright © 2018 Gerard Leeman en Bert Lowijs
Website powered by: