Geuronderzoek

Gepubliceerd op 20 januari 2018

Geuronderzoek

Op 1 januari 2016 is het Activiteitenbesluit uitgebreid met een regeling voor geur. Meer concreet: het normstellende deel van de Nederlandse emissierichtlijn Lucht (NeR) is in wetgeving verankerd.

De verankering is terug te vinden in Hoofdstuk 2, afdeling 2.3 van het Activiteitenbesluit. Deze afdeling is van toepassing op alle type inrichtingen (A, B en C).

Artikel 2.7a, tweede lid, van het Activiteitenbesluit bepaalt dat het bevoegd gezag, indien het redelijk vermoeden bestaat dat geurhinder niet tot een aanvaardbaar niveau kan worden beperkt, kan besluiten dat een rapport van een geuronderzoek wordt overgelegd. Een aantal zaken uit deze bepaling behoeft nadere bespreking.

In welke gevallen kan tot een geuronderzoek worden besloten?

Blijkens artikel 2.7a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit gaat het om activiteiten waarbij emissies naar de lucht plaatsvinden, ongeacht het type inrichting. Alvorens een geuronderzoek te verlangen, zal het bevoegd gezag moeten beoordelen of geur bij de betreffende inrichting relevant is én of geur al dan niet uitputtend is geregeld in de hoofdstukken 3 (inrichting type A, B of C) en 4 (inrichting type A of B). Als voor een activiteit een uitputtende geurregeling is opgenomen, dan kan geen onderzoek worden verlangd. Ter illustratie enkele voorbeelden uit de agrarische praktijk.

Opslaan van agrarische bedrijfsstoffen

Voor deze activiteit zijn in hoofdstuk 3, paragraaf 3.4.5 van het Activiteitenbesluit voorschriften opgenomen, onder andere ter voorkoming van geurhinder. Deze voorschriften zijn niet uitputtend, gelet op artikel 3.46, 8e lid: ‘Het bevoegd gezag kan, indien blijkt dat de geurhinder een aanvaardbaar niveau overschrijdt, onverminderd artikel 2.7a, bij maatwerkvoorschrift eisen stellen aan:

a. de situering van de plaats van de opgeslagen bedrijfsstoffen;

b. het afdekken van de opgeslagen agrarische bedrijfsstoffen, of

c. de frequentie van de afvoer van de opgeslagen agrarische bedrijfsstoffen’.

Om twee redenen is dit artikel niet uitputtend: het laat ruimte voor maatwerk én het geeft het bevoegd gezag de ruimte tot toepassing van de in artikel 2.7a neergelegde bevoegdheid om tot een geuronderzoek te besluiten.

Houden van landbouwdieren in dierenverblijven

Voor deze activiteit zijn in hoofdstuk 3, paragraaf 3.5.8 van het Activiteitenbesluit voorschriften opgenomen, onder andere ter voorkoming van geurhinder. Deze voorschriften (artikelen 3.115 tot en met 3.119a) zijn uitputtend: ze laten geen ruimte voor maatwerk én er is geen ruimte voor het bevoegd tot toepassing van de in artikel 2.7a neergelegde bevoegdheid om tot een geuronderzoek te besluiten. Volledigheidshalve merk ik op dat de artikelen 3.115 tot en met 3.119a van het Activiteitenbesluit niet van toepassing zijn op een inrichting type C. Overigens heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State recent nog een uitspraak gedaan dat de Wet geurhinder en veehouderij (en m.i. in het verlengde hiervan de artikelen 3.115 tot en met 3.119a van het Activiteitenbesluit) het exclusieve toetsingskader voor geur vanwege veehouderijen is.

Het scheiden van mest

Voor deze activiteit zijn in het Activiteitenbesluit geen voorschriften opgenomen. Wel geldt voor deze activiteit het zorgplichtartikel uit hoofdstuk 2, uitsluitend voor een inrichting type A of B. Het bevoegd gezag kan voor deze activiteit een geuronderzoek verlangen. Bij een inrichting type C zal een dergelijk onderzoek veelal onderdeel van de aanvraag (moeten) zijn. Maar ook na vergunningverlening kan het bevoegd gezag alsnog een geuronderzoek verlangen, bijvoorbeeld als er klachten vanuit de omgeving zijn. Bij een inrichting type B kan een geuronderzoek worden verlangd als een melding is gedaan of als de inrichting in werking is. In beide gevallen moet het bevoegd gezag het vermoeden hebben dat geurhinder niet tot een aanvaardbaar niveau kan worden beperkt.

Het besluit tot een geuronderzoek

Als het bevoegd gezag een geuronderzoek verlangt, dan moet hiertoe expliciet worden besloten. Hierbij moet het bevoegd gezag zich ervan gewissen dat er onvoldoende informatie beschikbaar is om te bepalen of een aanvaardbaar niveau van geurhinder wordt gehaald. Aan het toepassen van deze bevoegdheid is in het Activiteitenbesluit geen termijn verbonden, zoals wel het geval is bij het besluit tot een akoestisch onderzoek (vier weken na ontvangst van de melding; artikel 1.11, 11e lid). Op de totstandkoming van dit besluit is titel 4.1 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Het besluit is vatbaar voor bezwaar en beroep.

Over de schrijver

Bert Lowijs

Bert Lowijs

Bert Lowijs adviseert agrarisch ondernemers bij het verkrijgen van toestemming van overheden. Naast zijn functie als adviseur is hij ook actief als docent agrarisch omgevingsrecht. In zijn artikelen bindt hij op scherpzinnige wijze de strijd aan met het woud aan regels dat van toepassing is op zijn vakgebied.

  • Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

Volg ons

Like ons


Copyright © 2018 Gerard Leeman en Bert Lowijs
Website powered by: